Wie aan biodiversiteit denkt, denkt al snel aan bloemen, vogels of zoogdieren. Toch zijn het de insecten die het grootste deel van de fauna uitmaken: maar liefst 75% van alle diersoorten op aarde zijn insecten. Ze zorgen voor bestuiving, breken organisch materiaal af, houden plagen in toom en vormen voedsel voor talloze andere dieren. Zonder insecten staat het hele ecosysteem stil.
De insectenpopulaties zijn de afgelopen decennia echter sterk afgenomen door verstedelijking, pesticiden, habitatverlies en klimaatverandering. De recent verschenen Handreiking insectendiversiteit in de bebouwde omgeving biedt elf concrete richtlijnen waarmee gemeenten, projectontwikkelaars én bewoners de insectendiversiteit kunnen versterken. In dit blog vertaal ik die richtlijnen naar de Haagse situatie.
Vijf groepen insecten, vijf onmisbare functies
De handreiking deelt insecten in volgens hun functie in het ecosysteem:
Bestuivers (bijen, hommels, zweefvliegen, vlinders) zorgen voor de voortplanting van planten. Ongeveer 80% van de plantensoorten in onze gematigde streken is afhankelijk van dierlijke bestuiving.

Bodemherstellers (kevers, mieren, springstaarten) breken organisch materiaal af en bouwen aan een gezonde bodemstructuur.
Planteneters (rupsen, bladluizen, bladkevers) reguleren de plantengroei en vormen voedsel voor andere dieren.
Rovers (lieveheersbeestjes, libellen, gaasvliegen) houden plagen op natuurlijke wijze in balans.

Waterverbeteraars (libellen, waterkevers, muggenlarven) dragen bij aan een gezonde waterkwaliteit.
In Nederland leven naar schatting al ruim 2.400 nachtvlinders, 360 wilde bijensoorten, 4.200 keversoorten en 71 libellen en juffers. Veel van deze soorten kunnen prima in de stad leven.
De elf richtlijnen, vertaald naar Den Haag
1 en 2. Natuurkernen en ecologische verbindingen
Insecten hebben aaneengesloten groene gebieden nodig (minimaal 0,8 hectare voor stedelijke biodiversiteit, idealiter 4 hectare of meer) én groene verbindingen daartussen. Veel wilde bijen vliegen niet verder dan 150 meter; alleen grotere hommels halen 1.500 meter. Versnipperd groen is voor hen even ontoegankelijk als een eiland zonder brug.
Den Haag heeft gelukkig grote natuurkernen als Zuiderpark, Haagse Bos, Westduinpark en Clingendael. De uitdaging zit in het verbinden van die kernen door de versteende wijken heen, in Den Haag met Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Regiopark Van Zee tot Zweth. Initiatieven als de Blauw-groene kades langs de Haagse grachten vormen al zulke verbindingsaders: kademuren met varens, vlinderstruik, hondsdraf en kruiskruid functioneren als lineaire ecologische corridors door de binnenstad.
3. Inheemse soorten
Een soort is inheems wanneer hij van nature al eeuwenlang in Nederland voorkomt. Inheemse planten zijn aangepast aan ons klimaat én aan onze insecten. Veel insectensoorten zijn voor hun voortplanting namelijk van één specifieke waardplant. Een border met uitheemse cultivars ziet er fleurig uit, maar levert ecologisch vaak weinig op.
Op de stoep van het Oude Centrum gaat dit principe vanzelf: stoepplanten zijn meestal inheemse pioniers die spontaan in voegen en boomspiegels verschijnen. Geen aanplant, weinig onderhoud, en juist die “rommelige” planten trekken de meeste insecten aan.
4. Variatie en structuur
Hoe gevarieerder het terrein, hoe meer microhabitats. Combineer laag groen (gras, kruiden) met middenhoog (hagen, struweel) en hoog (bomen). Werk met hoogteverschillen, takkenrillen, dood hout en open zandige plekjes.
Een mooi Haags voorbeeld zijn de bonte bermen in de Spijkermakersstraat: zes bomen kregen ruime groenstroken met onderbeplanting, en de bestaande geveltuinen werden vergroot. Resultaat: meerdere vegetatielagen op een paar vierkante meter stoep.
5. Voedselvoorziening
Meer dan 7.000 Nederlandse insectensoorten zijn afhankelijk van planten. Zorg voor een bloeiboog van februari tot oktober, zodat er het hele seizoen nectar en stuifmeel beschikbaar is. Plant ook waardplanten waarop vlinders hun eitjes leggen.
Ook bomen zijn enorme voedselbronnen: een bloeiende linde of meidoorn voedt duizenden insecten tegelijk. Het raadsbesluit Haagse bomen, Haagse trots gaat hier expliciet op in: bomen zijn geen decoratie maar infrastructuur, die ook insecten en vogels leefruimte biedt.
6. Nest- en schuilplaatsen
Insecten hebben uiteenlopende plekken nodig om te overwinteren, eitjes af te zetten of te schuilen: open grond, dood hout, holle stengels, spleten in muren, dichte hagen. Groene gevels met klimop of blauweregen vormen complete verticale ecosystemen. Het raadsbesluit “Geef groene gevels klimplanten” is een mooi voorbeeld van beleid dat hier op inspeelt.
Praktisch advies uit de handreiking: laat in de winter dode planten en gevallen bladeren liggen, behoud “rommelige hoekjes”, en voer het schonen van bermen en watergangen gefaseerd uit. Een te nette tuin is een dode tuin.
7. Bodem
De meeste bodembiodiversiteit zit in de bovenste 30 cm. Bewerk de bodem zo min mogelijk, vermijd zwaar materieel (bodemverdichting!), en gebruik organische compost of houtsnippers in plaats van kunstmest. Veel wilde bijen nestelen in de grond. Verharding is voor hen daarom letterlijk een gesloten deur.
Iedere boomspiegel, geveltuin en groenstrook die in Den Haag wordt aangelegd is dus dubbele winst: voor klimaatadaptatie én voor het bodemleven.
8. Water
Water trekt libellen, waterkevers en muggen aan, en biedt drinkgelegenheid voor vliegende insecten. Vijvers met flauwe taluds (1:3) maken het larven mogelijk om uit het water te kruipen; vermijd vissen, want die eten libellenlarven op. Ook een simpele ondiepe schaal met regenwater, stenen en mos werkt als drinkplek.
De Haagse kademuren en grachten doen al veel werk voor waterinsecten. De vraag is hoe we ook in nieuwere wijken meer kleine waterelementen kunnen integreren: poelen in parken, wadi’s bij scholen, regenwateropvang in tuinen.
9. Geen pesticiden
Pesticiden hebben generaties lang doorwerkende effecten op insectenpopulaties. Ze tasten niet alleen de “doelinsecten” aan, maar ook bestuivers, bodemleven en uiteindelijk de hele voedselketen. Let bij aankoop van planten en zaden op een biologisch keurmerk. Veel kweekplanten uit tuincentra zijn namelijk nog steeds met niet-biologische middelen behandeld.
10. Ecologisch beheer
Wie de eerste negen richtlijnen goed uitvoert maar daarna alles platmaait, verliest weer alles. Gefaseerd maaibeheer (maximaal drie keer per jaar, minimaal 10 cm hoog, maaisel een paar dagen laten liggen en daarna afvoeren) is cruciaal. Voor sloten en oevers gelden vergelijkbare principes: bagger gefaseerd, laat snoeisel en dood hout op locatie.
11. Educatie
Insecten kampen met een imagoprobleem. Veel mensen associëren ze met steken, plagen en vieze beestjes. Educatie en zichtbaar maken wat insecten allemaal dóén, helpt enorm. Informatieborden bij geveltuinen (“Natuurlijke tuin met stoepplanten is voedsel voor bijen”) kunnen onbegrip omzetten in waardering.
In Den Haag zijn er al volop manieren om hieraan bij te dragen. De groene vrijwilligers onderhouden samen met de gemeente groenstroken en geveltuinen. En via iNaturalist en andere burgerwetenschapsplatforms kunnen bewoners de insecten in hun eigen wijk in kaart brengen — een laagdrempelige manier om zelf bij te dragen aan biodiversiteitsonderzoek.
Wat kan Den Haag concreet doen?
De handreiking sluit af met een stappenplan voor gemeenten. Voor Den Haag betekent dat onder meer:
- Insectendiversiteit expliciet opnemen in het Actieprogramma Klimaatadaptatie en in het omgevingsplan.
- Een netwerk van natuurkernen en ecologische verbindingen: Natuur Netwerk Nederland (NNN), Regiopark Van Zee tot Zweth en nieuwe ecozones.
- Pesticidevrij beheer opnemen in álle aanbestedingen.
- Boomspiegels vergroten en beplanten, zoals al bepleit in eerder onderhandeld beleid. Grote boomspiegels vangen niet alleen water op, ze zijn ook nestplek voor bodembijen.
- Ecologisch maaibeheer als standaard in alle bermen, oevers en parken — gefaseerd, met minimumhoogte, maaisel afvoeren.
- Natuurspeeltuinen uitbreiden, zoals al in gang gezet via de Speelwensennotitie 2024-2027. Kinderen die opgroeien tussen insecten leren ze waarderen.
Wat kan jij doen?
Insectvriendelijk Den Haag begint niet bij de gemeente, maar bij de stoep voor je deur. Een paar concrete dingen:
- Leg een geveltuin of stoeptuin aan, met inheemse planten en variatie in bloeitijd. Niet te perfectionistisch, een rommelig hoekje is goud waard.
- Plant klimplanten tegen je gevel. Klimop en blauweregen zijn klassiekers, maar ook kamperfoelie en wilde wingerd werken prima.
- Vervang waar mogelijk tegels door planten (de jaarlijkse NK Tegelwippen helpt).
- Laat een rommelhoekje in je tuin met dood hout, takkenrillen of een stapel stenen.
- Zet een ondiepe schaal water met stenen neer als drinkplek voor bijen.
- Vermijd pesticiden en koop biologisch gekweekte planten en zaden.
- Doe mee aan tellingen als de Nationale Bijentelling en upload je waarnemingen via iNaturalist of Obsidentify.
Een insectvriendelijke stad
Een insectvriendelijke stad is geen luxe en geen “groene hobby”. Een groene stad is de basis van een gezond, klimaatbestendig en leefbaar Den Haag. Bovendien: een stad vol bloeiende geveltuinen, fladderende vlinders en zoemende bijen is gewoon een prettiger plek om te wonen. De psychologische winst van natuurbeleving is intussen overtuigend onderbouwd: meer natuur betekent meer rust, meer verbinding, meer welzijn.
Of, in de woorden van de positieve psychologie: een stad waarin insecten kunnen bloeien en groeien, is een stad waarin ook wij mensen kunnen floreren.
Bronnen en verder lezen:
